Architectuur van de Limburgse grond
Overal in Nederland staan kerken en andere bouwwerken van Pierre Cuypers, de architect van het Centraal Station en het Rijksmuseum in Amsterdam. In 1885 weigerde koning Willem III naar de opening van dat museum te komen: het ontwerp van het gebouw was ‘veel te katholiek’. Dat klopte ook wel, want Pierre Cuypers was, ook volgens zichzelf, een rooms-katholieke architect. Vandaag bezoek ik het huis waar hij geboren en getogen is en waar hij later ook atelier hield. Ik ben benieuwd: wat verbond Cuypers met de Limburgse grond?
In het Cuypershuis ontmoet ik Chiel Hommelberg. Hij is al even met pensioen als middelbare school docent, hij is hier vrijwilliger. Chiel gaat me voor naar de imposante welkomsthal die vroeger de werkplaats was van atelier Cuypers. Hier waren op zeker moment meer dan 80 mensen werkzaam. Vandaaruit lopen we door naar het oude woongedeelte, waar Chiel me vertelt over de persoon Pierre Cuypers: “Cuypers had een heel uitgebreid, katholiek netwerk. Hij reisde heel wat af, had overal in Europa contacten. Zo kwam hij ook aan veel opdrachten. Hij raakte goed bevriend met Victor de Stuers, die aan de basis stond van de Nederlandse monumentenzorg, en met Joseph Alberdingk Thijm, met wiens zus hij trouwde na het overlijden van zijn eerste vrouw.” Cuypers lijkt me een imposante, maar ook intense man: tot vlak voor zijn dood op 93-jarige leeftijd was hij van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat aan het werk. Hij was gefocust op gezond leven, werd vegetariër, bewoog veel en was pertinent anti-roken. Dit laatste resulteerde in ruzies: toen Cuypers in de jaren 1860 roken op de werkvloer niet langer toestond, vertrok een deel van het personeel.
Terwijl we van kamer naar kamer lopen, vraag ik Chiel hoe het komt dat Cuypers in de tweede helft van de 19e eeuw meer dan honderd kerken door heel Nederland ontworpen heeft. Chiel schrijft dat toe aan de specifieke visie op het rooms-katholieke kerkgebouw die Cuypers samen met De Stuers, Alberdingk Thijm en anderen ontwikkelde: “Cuypers vond gotiek bij uitstek een katholieke stijl, en met zijn ontwerpen stond hij daarom aan de basis van de neogotiek in Nederland. Het was dé stijl van de katholieke opleving, het Rijke Roomse leven. Maar daar kreeg hij op het eind van zijn leven ook kritiek op van een nieuwe generatie architecten. Die vonden zijn stijl oubollig: de nieuwe architectuur moest strak en licht.”
We bereiken de bovenverdieping via een houten trap, die Cuypers zelf ontwierp en waarvan geen twee spijlen dezelfde ornamenten hebben. De architect had een ongelofelijk oog voor detail, uit zijn werk spreekt diversiteit die met de grootste zorgvuldigheid is uitgevoerd; of het ging om stoelpoten met houtsnijwerk of rijkversierde plafonds met boombladeren of tegeltjes met prachtige patronen. De Limburgse natuur was voor Cuypers een bron van inspiratie. En net als in de natuur is geen ontwerp precies hetzelfde, ondanks dat er veel met sjablonen werd gewerkt en er op grote schaal werd geproduceerd. Die sjablonen, met verschillende patronen en kleuren, maken het werk van Cuypers tastbaar: er zijn er nog veel overgebleven die in zijn atelier zijn gebruikt. Ik haal er één uit een lade en zie op het papier ernaast nog wat tekst gekrabbeld en probeersels van tinten groen. Je kunt het ontwerpproces zien en aanraken: we trappen Cuypers hier bijna op zijn staart.
Chiel beaamt dat: “Cuypers’ huis was bedoeld als een staalkaart van zijn kunnen, iedereen die hier kwam moest zien wat er allemaal mogelijk was.” Dat vind ik frappant: ondanks al zijn reizen en de tijd die Cuypers in Amsterdam doorbracht, keerde hij zelf uiteindelijk ook weer terug naar Roermond. Hij voelde zich verbonden met deze plek.
Net als bij mijn andere bezoeken op deze grondreis valt me op dat verhalen over de grond een tastbare kant hebben en hoe belangrijk die is. Het verhaal van Cuypers kan niet zonder het Limburgse land met zijn rooms-katholieke geschiedenis, de vormen en materialen die je in de natuur tegenkomt, niet zonder de productie die een ontwerp tot meer dan een papieren werkelijkheid maken. Alle verhalen zijn vastgehaakt aan de materiele werkelijkheid.