Naar hoofdinhoud

Onvrije gronden

19 juni 2025

Terwijl ik Drenthe doorkruis, valt me op dat ik zeer uiteenlopende landschappen voorbij zie komen. Van zacht-glooiend landschap met oude akkers, houtwallen en grote rietgedekte boerderijen, tot stille heidevelden en geurende dennenbossen. Wanneer ik verder noordwaarts kom, vlakt het reliëf af en worden de akkers groter en snijden kanalen en sloten het landschap in strakke patronen. Ik ben beland in landschap dat is bepaald door kolonisten en arbeiders die veen systematisch hebben afgegraven voor turf. 

Wanneer ik Veenhuizen nader, nemen de lange lanen, statige bomenrijen en monumentale gebouwen met opzichte leuzen op de gevel, me in beslag. De sfeer is stil, statisch, onwerkelijk. Ik schrik op als ik ineens word tegengehouden door een verkeersregelaar. Ik stop en laat mijn autoraam zakken. ‘Waar moet u naartoe?’ vraagt een harde stem. Een strakke blik kijkt me aan. ‘Ik heb een afspraak met Rien Pheifer, de oude dorpsmeester,’ stamel ik. ‘Hij woont niet aan dit wegvlak, hier mag u niet langs,’ zegt de man. Voordat ik kan antwoorden, loopt hij weg. Ik ben onthutst. En ik besef ineens: ik ben in Veenhuizen, het dorp dat van oudsher en jarenlang gesloten is geweest voor publiek van buitenaf. Ironisch, dat ik vandaag ook niet ‘zomaar’ het dorp in kom.  

In 1823 werd Veenhuizen opgericht als een onvrije kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid, bedoeld voor de heropvoeding van bedelaars en landlopers. Vanaf 1859 nam de Nederlandse staat deze taak over en maakten de oorspronkelijke idealen van heropvoeding plaats voor orde, opsluiting en discipline. Mensen, vooral uit het Westen, werden in Veenhuizen op last van de overheid ondergebracht wegens bedelarij, landloperij of ‘asociaal gedrag’. Grote gestichten verrezen; honderden mannen, vrouwen en kinderen moesten hier gedwongen en onder streng regime werken en leven. In de 20e eeuw veranderde Veenhuizen definitief in een echte gevangenis met tralies, beveiliging en strafrechtelijk veroordeelden. Buitenstaanders blijven tot ver in de 21e eeuw niet of beperkt welkom in het dorp Veenhuizen. 

Tekst gaat verder onder de foto.

Zeker een kwartier later dan gepland, sta ik bij Rien op de stoep. Met een brede lach op zijn gezicht zwiept hij de deur open. ‘Welkom!’ We lopen door zijn huis naar de achtertuin, waar we plaats nemen. Het is bijzonder om Rien, die niet werkzaam was in de penitentiaire instelling, maar hier toch leefde en werkte met zijn gezin, te spreken. Rien werd in 1976 aangesteld als meester van de basisschool van Veenhuizen. Destijds was de onomstotelijke regel dat als je daar werkte je er ook moest wonen. ‘We kregen een huis toegewezen, waarbij ik geacht werd om dit naar behoren te onderhouden,’ zegt Rien. En daar deden ze het in eerste instantie mee. Zijn twee dochters zaten in de klas bij enkel kinderen van justitiële medewerkers. Naast af en toe wat bezoek van inwoners van Veenhuizen, kwam er verder niemand. Rien: ‘Iedereen kende elkaar. Niet zo gek, want alles hier, het zwembad, de voetbalvereniging, de ijsbaan, de woningen en zelfs de kerken, was in bezit van justitie en bedoeld voor alléén degenen die hier woonden.’ Veenhuizen was geen dorp van Drenthe, maar, midden in Drenthe, een dorp van de staat. 
 
‘Een leven in een gevangenisdorp, hoe was dat?’ vraag ik aan Rien. ‘Tsja, we kwamen dagelijks in aanraking met mensen die zware misdaden hadden begaan. Weliswaar degenen die hun straf zo goed als uitgezeten hadden en de eerste stappen naar de maatschappij mochten maken door werkzaamheden te verrichten binnen het dorp. Onze tuinen werden onderhouden door de veroordeelden. En dat zag je hoor,’ knipoogt Rien. ‘Ze wisten natuurlijk helemaal niks van groenvoorzieningen. En iedere ochtend nadat de gedetineerden her en der waren afgezet, werden de kinderen met diezelfde ‘boevenbus’ opgepikt en naar school gebracht.’ 

In 1981 heeft justitie afstand gedaan van de voorzieningen in het dorp, sindsdien struinen hier dagelijks toeristen en wonen er mensen ‘van buiten’ op deze van oudsher bestemde grond. Ik realiseer me dat de typische kenmerken van het dorp doen herinneren aan de diepgewortelde onvrije geschiedenis. Het meest in het oog springend zijn de teksten op gebouwen als Werk en Bid, Orde en Tucht en Zorg en Vlijt. In de 19e eeuw werden deze aangebracht om de bewoners voortdurend te herinneren aan belangrijke waarden. Die moesten ze aanleren om als "nuttige burgers" terug te keren in de samenleving. Ik knipper met mijn ogen en verbaas me erover hoe deze teksten in het verleden mensen voorgehouden, maar ook wel opgedrongen zijn. Nogal in your face, zouden we nu zeggen. Tegelijkertijd vraag ik me af: zouden we in deze tijd sommige van deze waarden niet weer wat actiever vorm kunnen geven? 

Veenhuizen