Op bezoek bij de grond van David en Janneke
In Drongelen, aan de Bergsche Maas en nabij het Oude Maasje, het rivierengebied met vruchtbare kleigrond, ontmoet ik iemand die al zijn hele leven agrariër is: David van der Schans. Hij pacht hier grond van de Maatschappij van Welstand, net als zijn vader voor hem ook al deed. "Mijn familie pacht hier al vijftig jaar," zegt hij. Het agrarisch bedrijf is gemengd: ze houden melkvee en doen aan akkerbouw in de vorm van suikerbieten, erwten en bonen voor conservering en gras en mais voor de koeien. In totaal hebben ze 150 hectare in beheer, waarvan de helft gepacht.
David runt het bedrijf samen met zijn vrouw, zoon en dochter Janneke, die vandaag ook aanwezig is. Janneke studeerde aan de Hogere Agrarische School, werkt als adviseur en is getrouwd met een agrariër. Op dit moment bemoeit ze zich vooral met het papierwerk dat bij het boerenbedrijf hoort. Dat zij de boerderij samen met haar broer overneemt, is vanzelfsprekend: “We zijn beiden zeer betrokken, we zijn ermee opgegroeid, dus we nemen het over.” Over grond kopen is ze nuchter: “Als boer leef je arm en sterf je rijk.” De grondprijzen zijn bijna niet meer te doen, vindt ze.
Pacht of eigendom: maakt het verschil voor hoe je met de grond omgaat, vraag ik? “We weten niet eens precies waar de grenzen liggen,” zegt Janneke. “We maken geen onderscheid.” David vult aan: “Eigendom of pacht speelt pas een rol als je grond gaat overdragen.”
De Maatschappij van Welstand is een charitatief vermogensfonds met een protestants-christelijke achtergrond, dat veel pachtgronden bezit en verpacht. Als verpachter stimuleren ze biologische landbouw, maar ze leggen geen harde verplichtingen op. Volgens Janneke en David is volledig biologisch boeren vaak lastig: “Je kunt niet zonder de natuur, maar zonder gewasbescherming is geen landbouw mogelijk. Soms moeten biologische boeren zelfs spuiten om aangrenzende gewassen te beschermen.” Zelf gebruiken ze middelen alleen als het echt nodig is. “Bestrijdingsmiddelen zijn heel erg duur,” zegt David. Er is veel om de landbouw te doen. “Waar gaat het heen?” wil ik weten. “De toekomst ligt in precisielandbouw met drones en AI.”
Nederland heeft wereldwijd een naam als landbouwland, mede door Wageningen Universiteit. “Die positie is opgebouwd door kennis, techniek, mest én gewasbescherming,” benadrukt David. Op mijn vraag wat duurzaamheid in deze context betekent, antwoordt Janneke: “Volhoudbaarheid op lange termijn.” David wijst ook voorbij het hier en nu: “Je geeft de grond door aan volgende generaties, dus je moet hem niet uitputten.” Volgens hen kan puur biologische landbouw op termijn tot voedseltekorten leiden. Dat brengt David tot een krasse uitspraak: “Als iedereen biologisch gaat, krijgen de voedselbanken en diaconieën het druk.” Dat hangt hij vooral aan het prijskaartje: biologisch is duur en wordt minder gekocht. ‘Tsja,’ denk ik: ‘Maar met prijsprikkels valt goed te sturen. Hier heeft de overheid ook een ongebruikt instrument in handen.’ Maar ik ben dan ook iets meer een voorstander van biologische landbouw dan David en Janneke.
Tekst gaat verder onder de foto.

Omdat ik benieuwd was naar de relatie tussen pachter en verpachter en hun visie op de grond, schuift op dat moment in ons gesprek René van de Kieft aan, directeur van de Maatschappij van Welstand. De Maatschappij verpacht grond aan een paar honderd boeren, vooral in Brabant en het Land van Maas en Waal. Voor René draait het in de omgang met pachters om lange relaties en vertrouwen: “Vaak gaat het generaties lang door. Je weet wat de plannen zijn van je pachters.” Onder duurzaamheid verstaat hij: goed met de grond omgaan en onder ‘goed’ valt voor hem vooral biologisch of natuurinclusief werken. De Maatschappij stimuleert deze manier van boeren, maar legt geen verplichtingen op. “We denken mee over omschakeling. Soms geven we pachtkorting of innen we zelfs tijdelijk geen pacht om de overgang haalbaar te maken.”
Janneke haakt in: “De consument is financieel nog niet klaar voor massaal biologisch. En de overheid moet zorgen voor duidelijkheid op lange termijn. Nu veranderen de regels te vaak, waardoor innovaties blijven liggen.” Dat is ook zo. Het stoort me wanneer de verantwoordelijkheid voor een duurzame omgang met grond alleen bij boeren wordt neergelegd.
Als ik na het gesprek het erf afrijd en zwaai naar pachter en verpachter die daar nog met elkaar in gesprek zijn, realiseer ik me: verpachters en pachters dragen beiden verantwoordelijkheid voor wat er op de grond gebeurt, elk op een eigen manier. En dat geldt ook voor de overheid en voor consumenten die wel wensen hebben rondom voedsel, maar niet altijd bereid zijn daarvoor te betalen. Wat zou het voor ieder van ons betekenen als we de vruchtbare akker in Drongelen als ons aller akker zouden beschouwen?