Naar hoofdinhoud

Slecht behandeld, slecht herinnerd en slecht betaald

4 juni 2025

“Je kon mijnwerker worden, of je kon mijnwerker worden,” zo omschrijft oud-voorman Wiel Niks zijn beroepskeuze eind jaren ’50. We zitten aan zijn keukentafel in het rustige Ubachsberg, een heerlijk stuk vlaai voor ons. Wiels vader was mijnwerker, diens vader was mijnwerker, en als oudste van zeven kinderen was er voor Wiel geen geld om te studeren. Hij werd dus ondergronds mijnopzichter in de Oranje-Nassau mijnen bij Heerlen, Zuid-Limburg, tot aan de mijnsluiting in 1974. Ik ben op bezoek bij Wiel om meer te weten te komen over die mijnbouw en het mijnwerkersleven. Er gaat deze middag een ondergrondse wereld voor me open.  

“Ik zou geen dag terug willen,” vertelt Wiel. “Het was onmenselijk zwaar werk, je zou er nu niemand meer voor vinden.” Toch spreekt hij ook haast met nostalgie over zijn periode in de mijn, de mijnwerkerscultuur en de unieke kanten van het werk. “Er was een strenge hiërarchie en controle. Iedereen moest zich precies aan de regels houden, want er konden levens vanaf hangen. Als koempels [mijnwerkersjargon voor ‘collega’] moest je van elkaar op aan kunnen.” Het ritme van de werkdag was strak, vertelt Wiel. ’s Ochtends vanuit huis met een busje vol collega’s, toch vooral mannen, naar de mijn, je eigen lamp mee, omkleden in je pak, je penning aan de opzichter geven zodat helder was wie beneden zaten en dan met de lift de grond in. De liftschacht was honderden meters diep, met meerdere verdiepingen waar koempels aan het werk waren. Dan, op je eigen niveau, nog kilometers in een klein wagonnetje achter een locomotief naar de werkplek. Daar, liggend of staand, afhankelijk van de hoogte van je tunnel, graven en erts weghakken. Plaspauzes waren eigenlijk niet nodig, want je zweette genoeg uit in de ondergrondse hitte en ander liet je het lopen waar je aan het werk was: het was zo krap en donker dat toch niemand je kon zien. Na de werkdag weer terug met het treintje, de lift, de penning weer mee. Dan eerst douchen, gewone kleding weer aan en naar huis. 

Het klinkt me in de oren als keihard werken. Dat klopt, zegt Wiel: “Op een dag van acht uur had je 20 minuten pauze, op je werkplek. En ik moest als opzichter strikt handhaven, geen minuutje langer. Boetes moest ik ook geven, bijvoorbeeld voor roken of te lange pauzes. Want dat waren zaken waar je je collega’s mee in gevaar kon brengen.” Ongelukken gebeurden er natuurlijk ook en dan was er diep onder de grond vaak weinig hulp mogelijk. Wiel: “Als opzichter had ik twee rolletjes verband en wat aspirine. Maar ik heb veel naars gezien. Mijngangen die onverwachts instortten waren vaak fataal, maar ook treinongevallen bijvoorbeeld.” Maar om te voorkomen dat de mijn je vijand werd, moesten mijnwerkers samenwerken met de aarde, bijvoorbeeld door het deel van de mijngang dat al afgegraven was, gecontroleerd te laten instorten. “Je kunt het als mijnwerker horen, als de gang gaat instorten, als de aarde terugduwt. Het afgegraven deel noemen we de ‘oude man’.”  

Het terugduwen door de aarde, de bouwlamp, de penning: de harde materiële kant van het mijnwerkersleven klinkt onontkoombaar in het verhaal van Wiel. Als we later met hem bij de oude mijnschacht in Heerlen kijken en in het oude mijnmuseum zelfs even naar binnen mogen, zie ik zijn verhalen voor mijn ogen tot leven komen. Ik mag zelfs even in de lift stappen. Het is een bizar idee dat er honderden meters diepte onder me hangt. Intussen zie ik Wiels ogen twinkelen als hij de oude mijnbouwelementen weer ziet. Hij vindt het belangrijk dat de herinneringen aan het mijnwerkersleven blijvend gedeeld worden, want veel Nederlanders, zelfs Limburgers, weten nog weinig van de mijnbouw. “Men praat er ook niet over.” Hoewel de mijnbouw dus zo tastbaar en dominant aanwezig was in het leven van veel Limburgers tot de jaren 70, er is in de herinnering weinig meer van over, vindt Wiel. Dat staat voor hem voor iets groters, voor erkenning van Zuid-Limburgers en hun werk. 

Wiel is uiterst kritisch over de behandeling van de mijnwerkers en de nasleep van de mijnsluitingen. Het mijnwerkersbestaan was hard, ongezond. “Wat doet het met iemand, om twintig, dertig jaar ondergronds te werken?”, vraag ik Wiel. “De longen zitten vol met stof, na dertig jaar doen die dan eigenlijk niks meer. Dat wisten we ook toen al, dat het werk ongezond was en je met gevaarlijke stoffen werkte. Je had wel mondmaskers, maar als je die ophad, kreeg je met het zware werk en de hitte niet genoeg adem.” Wiel is dan ook verontwaardigd over de behandeling van de mijnwerkers, tijdens en na de mijnbouwperiode. “We zijn slecht behandeld, slecht herinnerd en slecht betaald. Het ging de ‘bovengronders’ alleen maar om productie draaien, en hoeveel productie realistisch was, werd uit de lucht gegrepen. Op papier werden de ‘ondergronders’ goed betaald, maar 20% daarvan kregen we alleen als we onze productiedoelen haalden en volgens alle veiligheidsprotocollen door de inspectie kwamen. In de praktijk was dat bijna onmogelijk. We werden er dus financieel op afgerekend.” Na de mijnsluiting, waar Wiel destijds achter stond, bleven de pensioenen van de mijnwerkers achter.  

In het landschap van Zuid-Limburg is er, zelfs voor de kenner, weinig meer te zien. Het landschap lijkt wel vergeten dat hier vijftig jaar geleden vol stond met bergen kool, rokende schoorstenen en hoge mijnschachten. Dat was deels bewust, met projecten als ‘van zwart naar groen’ waardoor het landschap werd vergroend. Voor de mijnwerkers voelde alsof hun werk, hun ervaringen, werden uitgewist. Maar Wiel wijst op een kaart aan dat het kunnen uitwissen van de mijnbouw een illusie is. Want ondergronds zijn de mijnen nog altijd zichtbaar, en is er ook nu acuut risico op mijnschade, bijvoorbeeld daar waar ondergrondse gangen niet zijn opgevuld, of doordat het grondwater in de mijnen stijgt en aan de oppervlakte dreigt te komen. Dat komt ook doordat je over mijnen wel landelijke besluiten kunt nemen, maar de mijnen in de Belgisch-Duitse-Nederlandse grensstreek met elkaar in contact staan. 

Ik vind het fascinerend en het raakt me: niet alleen het mijnwerkersleven, als historisch erfgoed, is vergeten, maar ook de actuele fysieke erfenis ervan die, daar hamert Wiel op, aandacht vraagt. Hoe kan het dat we de sporen van de mijnbouw in het landschap zijn gaan ontkennen en moeten we die geschiedenis wel willen vergeten? 

Bezoek aan de mijnen