Een broodje zoals de Zeeuwen zelf
We rijden een gewone straat in Kloetinge op Zuid-Beveland in, maar van ver laten de vlaggen ons zien waar de bakkerij is. We worden ontvangen door Mariska. Zij kan ons alles vertellen over de lekkernij waarmee deze provincie bekend staat: de Zeeuwse bolus.
De geschiedenis van deze lekkernij ligt echter niet in Zeeland en zelfs niet in Nederland. Bolussen werden in de 17e eeuw meegenomen door Sefardische joden uit Spanje en Portugal. Toen zij vanwege vervolging naar noordelijker streken vluchtten, namen zij het broodje mee. In Zeeland werd het baksel omarmd. Bakker Mariska: “In die tijd waren de mensen niet rijk. Een bolus bestaat uit brooddeeg dat door basterdsuiker en kaneel gerold wordt. Iedereen kan dat betalen.”
De bolus werd in Zeeland zo populair, dat er lange tijd wedstrijden werden gehouden wie de beste bolus bakt. Helaas is het aantal bakkers inmiddels zodanig geslonken, dat er geen wedstrijden meer worden gehouden. Toch zweren veel Zeeuwen nog steeds bij de bolus. Mariska vertelt: “Als wij hier op zaterdag om 7 uur open gaan, dan neemt iedereen een pakje bolussen mee. ‘Geen bolus, geen zaterdag.’ En op zondag eten mensen vaak een bolus bij de koffie. Mijn schoonvader at zelfs elke dag een bolus en hij is er 90 mee geworden.”
Tekst gaat verder onder de foto.

Maar de ene bolus is de andere niet. “Wat is nou een goede bolus?” vraag ik Mariska. “Een goede bolus is plakkerig. Je moet er je vingers bij aflikken. Het deeg moet heel zacht zijn. Wij laten de kruiden een nachtje in de suiker trekken, daar wordt het nog lekkerder van. We bakken in een hele hete oven, zodat de suiker karamelliseert. Een goede bolus is chewy van binnen en crunchy van buiten.” Maar met bolussen is het net als met het weer; iedereen heeft er een andere mening over. Zo zijn er ook regionale verschillen: hoe noordelijker je komt, hoe lichter van kleur de suiker is. En hier, op Zuid-Beveland, schijnt de bolus het liefst te worden gegeten met een beetje gezouten boter.
“Hoe komt het toch dat de bolus nog steeds zo graag gegeten wordt door Zeeuwen?” vraag ik me af. Mariska denkt dat dat komt omdat de bolus lijkt op de Zeeuwen zelf: “Het is een heel sober product, zonder tierelantijnen. Je weet wat je eraan hebt, de bolus is betrouwbaar en niet te luxe.”
Van al dat gepraat loopt het water me wel in de mond. Ik zet mijn tanden dan ook graag in zo’n zoete bolus. Maar die heeft ook een scherp randje, als ik terugdenk aan het gesprek dat ik slechts een paar uur eerder had met Angelique over de VOC en de WIC in Zeeland. De bolus was in de 17e eeuw deels zo goedkoop omdat de arbeid van tot slaafgemaakte mensen niet werd meegenomen in de prijs van de suiker, kaneel en nootmuskaat die hier door de vestigingen van de VOC en WIC te krijgen waren. Hoe kunnen we tegelijkertijd oog we hebben voor dit verleden, dat zo vervlochten is geraakt met onze cultuur, en ons de smaak niet laten bederven?